22028 – donderdag

In de file deze avond op weg naar Brabant. Voordat ik al te gefrustreerd kon raken van het langzaam voortschuifelende verkeer hoorde ik op de radio een verslag over lange files in Duitsland vanwege de hevige sneeuwval aldaar de afgelopen dagen. Er werd contact gezocht met een twee Nederlanders die op weg naar de wintersport gisteravond om elf uur vertrokken waren, maar al kort na middernacht bij Kassel vast kwamen te staan. En daar stonden ze nu nog. In vijftien uur waren ze al met al zo’n vijfhonderd meter opgeschoten. Hun geluk was dat ze voor zes personen eten bij zich hadden, dus ze hielden het nog wel even uit.

In Helmond aangekomen was het weer zoeken naar een parkeerplaats in de buurt van het verzorgingshuis voordat ik mijn moeder een bezoekje kon brengen. Toen ik binnenstapte in de gemeenschappelijke ruimte waren ze net klaar met het avondeten en bezig het toetje weg te werken. Niet veel later werden een aantal bewoners in de lift gezet om op de benedenverdieping een potje te gaan kienen. Mijn moeder liet dit aan haar voorbij gaan hoewel ze vroeger een fanatiek kienster(?) was toen we nog een vaste standplaats op de camping in Bakel hadden. Nu zou het haar waarschijnlijk toch allemaal veel te snel gaan.

Samen met de overige tafelgenoten kletsen we wat over ditjes en datjes terwijl mijn moeder veelal luisterde zonder echt iets toe te voegen. Af en toe mompelde ze wat zonder dat er enig verband te bespeuren viel met wat er zoals over tafel ging. Ze leek het wel naar de zin te hebben ondanks dat ze regelmatig wegdwaalde in haar eigen gedachtenspinsels.

Bij toeval kwamen we erachter dat sommigen van ons een gezamenlijk verleden hadden. En wel het nabij gelegen Brouwhuis waar ik van 1986 tot 1995 woonachtig was. Wat het helemaal bijzonder maakte was dat rond de tijd dat ik eigenlijk weer op huis wilde gaan er een man binnenstapte die ik herkende als de jongste zoon van een van de bewoonsters die tevens een goede vriendin van mijn moeder was (hoewel ze elkaar nu bijna niet meer herkennen). Zelf had ik meer opgetrokken met zijn oudere broer die van mijn leeftijd was, maar we raakten meteen aan de praat over vroeger en constateerden dat we elkaar minstens veertig jaar niet meer hadden gezien. Midden in ons gesprek viel de naam van zijn grootvader die ook in Brouwhuis had gewoond en dat bleek dan weer precies in dezelfde straat te zijn geweest als waar van een van de bewoonsters het ouderlijk huis had gestaan. Zij kende de bewuste grootvader erg goed. En zo was het cirkeltje rond. Tijd om naar huis te gaan. Maar niet nadat ik mijn moeder een flinke knuffel en vele kussen gegeven had.


De open samenleving en haar vijanden – Karl Popper [10]

Deel I De betovering van Plato
De mythe van de oorsprong en lotsbestemming
p.47: Hoofdstuk 3 – Plato’s Ideeënleer

paragraaf IV

De sociale ingenieur. Het is een term die bij mij niet meteen een belletje deed rinkelen. Popper omschrijft het zelf als volgt:

De sociale ingenieur stelt nooit vragen over historische tendensen of over het lot van de mens. Hij gelooft dat de mens de baas over zijn eigen lot is en dat wij, naargelang onze doelstellingen, de geschiedenis van de mens kunnen beïnvloeden of veranderen, net zoals wij het aangezicht van de aarde hebben veranderd.

p.51, DOSEHV

Het mag duidelijk zijn dat de sociale ingenieur als zodanig recht tegenover de historicist staat, ‘die gelooft dat intelligent politiek optreden alleen mogelijk is als eerst de toekomstige loop van de geschiedenis is vastgesteld. Deze tegenstelling is waar Popper zich nu op richt, later zal hij meer aandacht besteden aan de wijze waarop de sociale ingenieur denkt dat wij onze toekomst kunnen vormgeven. Hij laat nu al weten dat zijn voorkeur uitgaat naar een ‘stapsgewijze sociale technologie’ en niet naar een ‘utopische sociale technologie’.

Om de tegenstelling tussen de sociale ingenieur en de historicist duidelijk te maken, komt Popper met het voorbeeld hoe verschillend zij kijken naar sociale instellingen. Daar waar de historicist geneigd is terug te gaan de voorgeschiedenis van een bepaalde sociale instelling, om van daaruit te beredeneren hoe hun toekomstige ontwikkeling als zodanig onderdeel is van een onderliggend vaststaand plan, zal de sociale ingenieur daar weinig tot geen betekenis aan geven. Voor hem is het veel belangrijker te onderzoeken of de sociale instelling zodanig goed georganiseerd en ontworpen is om de gestelde doelstellingen te kunnen bereiken.

Meer in het algemeen kunnen we zeggen dat de sociale technologie instellingen rationeel benadert als middelen die dienen om bepaalde doelstellingen te bereiken […]. De historicist zal daarentegen proberen de oorsprong en de bedoeling van die instellingen te bepalen, om de ‘werkelijke rol’ vast te stellen die zij in de geschiedenis hebben gespeeld […].

p.53, DOSEHV

De nuance die Popper nog aanbrengt is dat een sociale ingenieur wel degelijk weet dat instellingen niet alleen maar instrumenten zijn en dat vanuit de oorsprong geredeneerd er waarschijnlijk een bepaalde bedoeling of idee bestond waarom de instelling er moest komen. Als zodanig zal hij er zich ook van bewust zijn dat dit betekent dat deze instellingen soms een groei doormaken die gerelateerd is aan de oorspronkelijk bedoeling, en zal dat meenemen in zijn gedachte hoe de instellingen doelstellingen kan bereiken.

Op het eind van de paragraaf laat Popper zien dat er ondanks deze aangetoonde tegenstelling tussen sociale technologie en historicisme er toch soms combinaties van beide voorkomen. En zo komen we weer bij Plato uit, want zijn sociale en politieke filosofie wordt door Popper aangehaald als het ‘vroegste en waarschijnlijk meest invloedrijke voorbeeld’, en dat zien we later bij veel meer, vooral utopisch getinte filosfische systemen.

In al die systemen wordt gepleit voor een vorm van sociale technologie, want om de gestelde doelen te bereiken worden bepaalde institutionele – zij het niet altijd zeer realistische – maatregelen aanbevolen. Maar als we die doelen bekijken, dan blijkt dikwijls dat die historicistisch bepaald zijn.

p.53, DOSEHV

Bij Plato’s politieke denken zien we die historicistische invalshoek resulteren in het terugvallen op een volmaakte of ideale staat, die de oervorm zou zijn voor latere staten. Belangrijk is om te realiseren dat Plato dit niet zag als een theoretisch concept, maar als een daadwerkelijk te realiseren staat die door haar stabiliteit niet meer aan verval onderhevig zou zijn.

Dus zelfs Plato’s politieke doel – de beste staat – is in aanzienlijke mate afhankelijk van zijn historicisme. En wat voor zijn filosofie van de staat geldt, is, zoals gezegd werd, ook van toepassing op zijn algemene filosofie van ‘alle dingen’, zijn Ideeënleer.

p.54, DOSEHV

Disclaimer: Ik deel hier mijn leeservaring van het boek en wat ik ervan begrijp. Mijn achtergrond in onderwerpen zoals politieke of sociale wetenschappen en filofosie is minimaal. Dus waarschijnlijk mis ik een hoop en zal mijn duiding op veel plaatsen niet correct zijn. Aarzel niet om het mij in de reacties te laten weten zodat ik een en ander kan aanpassen. Ik wil leren, niet onderwijzen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *