Ga naar de inhoud

Zondag, 13 januari 2019

Rennen. In de regen. En met wat wind erbij. Ik vind het heerlijk. Daarom zag ik er helemaal niet tegenop om deze ochtend, na mijn wekelijkse (ja, ik hoop er weer een vaste routine van te maken) blogpost over Don Quichot de hardloopschoenen aan te trekken. Ik had al wat hardlopers voorbij zien komen en wat me telkens weer verbaasde was hoe warm ingepakt ze waren. Alsof het hartje winter was. Qua seizoen misschien, maar de weersomstandigheden zijn toch echt niet zodanig dat een lange broek, handschoenen en een muts nodig zijn. Hooguit een windjackje. Wat mij betreft tenminste.

En zo vertrok ik dan ook. In mijn korte broek. Binnen de kortste keren was ik zeiknat. Want hoewel het de eerste minuten niet regende begon het al snel te hozen. Het mocht de pret niet drukken. Tegen de wind in beukend vervolgde ik mijn weg vastbesloten minimaal een rondje van vijf kilometer te voltooien. De voorbije week heb ik helaas verzaakt qua vasthouden aan de drie dagen regel en daarom had ik wat goed te maken. Tegelijkertijd wil ik de boel ook niet forceren. Nieuwe blessures zit ik niet op te wachten. De vijf kilometer is dus een soort van compromis. Daarnast bedacht ik me tijdens het rennen dat ik in ieder geval vanaf nu mezelf kan verplichten dat wanneer ik een dag niet loop ik dan wel op z’n minst een aantal minuten aan core training moet doen. Ga ik wel lopen dan is de core training optioneel. Zo hou ik mezelf bezig.

Onderweg kwam ik een hek en sloot tegen. Dat is wel vaker het geval maar misschien omdat ik toch al nat was en doordat het weinige survivalrunbloed dat nog door mijn aderen stroomt plots wat hartstochtelijker ging stromen, kon ik het niet laten wat oefeningen bij het hek te voltooien en een paar keer over de sloot te springen. Als een kind zo blij liep ik de rest naar huis in soppende hardloopschoenen vol met water en modder waar een hete douche het feest completeerde. De zondag kan niet meer stuk.

[5,47 km hardlopen; 32:56 minuten]

Don Quichot

Eerste deel – Vierentwintigste hoofdstuk:
Waarin het avontuur van de Sierra Morena vervolgd wordt

De jongeman die zo plotsklaps en toevallig vanuit het niets in vorig hoofdstuk tevoorschijn komt is inderdaad blijkens de geitenhoeder de eigenaar van de spullen die Don Quichot en Sancho Panzo eerder tijdens hun tocht door het gebergte gevonden (en in het geval van Sancho en de goudstukken, onrechtmatig toegeëigend hebben, maar vooralsnog gaat het daar (nog) niet over). Hij is in goede doen wat betreft mededeelzaamheid over wat hem is voorgevallen waardoor hij gemeend heeft zijn toevlucht te zoeken diep in het meest onherbergzame gedeelte van de Sierra Morena, echter allereerst wil hij eten. Veel eten. Pas daarna zoekt het gezelschap een rustig plekje op alwaar de jongeman (door Cervantes dan weer eens ‘de haveloze Ridder van het Gebergte’ en een andere keer ‘De Ridder van het Struikgewas’ genoemd) zijn verhaal kan doen.

Er gaat wel een waarschuwing aan vooraf. Eentje die Don Quichot meteen doet denken aan het verhaal over de geiten door Sancho Panza. De jongeman drukt hen op het hart hem niet in de rede te vallen, ‘want zodra ge dat doet, is mijn verhaal uit’.

Wat volgt is het relaas door de eens gelukkige jongeman van adel die al tijdens zijn vroegste jeugd verliefd is op de dochter uit een eveneens rijk en adellijk geslacht. Het lijkt voorbestemd dat zij eenmaal de huwbare leeftijd bereikt hebbend met elkaar zullen gaan trouwen. Het lot wil echter dat de jongeman tegen die tijd ontboden wordt aan het hof van de hertog om aldaar zijn diensten te bewijzen als familievriend voor de zonen van de hertog. Zo ging dat toen. De trouwpartij zal nog even moeten wachten en zowel de aanstaande bruid als haar vader hebben begrip voor dit uitstel van plannen.

Aan het hof raakt de jongeman, waarvan we ondertussen hebben vernomen dat zijn naam Cardenio is, goed bevriend met de tweede zoon van de hertog. Deze is genaamd Fernando en nadat de band tussen hen meer vertrouwelijk is geworden biecht hij op dat hij ernstig verliefd is op een waarachtig mooi boerenmeisje waarvan de ouders weliswaar erg rijk zijn, maar waarvoor de hertog nooit zijn goedkeurig zou verlenen mocht zijn zoon verzoeken om met zijn geliefde in het huwelijk te treden om zodoende met haar in de echtelijke sponde te kunnen duiken (wat trouwens ook bij Cardenio als een van de voornaamste reden meespeelde op haar de hand te vragen).

Omdat Cardenio te horen krijgt dat Fernando dit heimelijk toch wil doorvoeren zit er voor hem niets anders op dat de hertog op de hoogte te stellen. Maar Fernando heeft ondertussen zijn lusten niet kunnen bedwingen en met het voorwendsel dat zij spoedig zullen trouwen het boerenmeisje al in het bed en uit haar kleren weten te praten. En zoals dat volgens Cervantes dan gaat is daarmee bij jeugdige geliefdes de romantische betovering meteen doorbroken:

[…] liefde is bij jonge mensen in de meeste gevallen geen liefde, maar begeerte, die genot als enig doel kent en daarom ophoudt als ze dat bereikt heeft. Dan moet wat zich als liefde voordeed wel wijken, want begeerte kan de grens die de natuur haar stelt niet overschrijden, en ware liefde kent geen grenzen.

[p.173]

Om onder zijn gelofte uit te komen en voor zijn vader verborgen te houden welke stommiteit hij had begaan voordat Cardenio hem hierover zou inlichten komt Fernando met het idee om in de streek waar Cardenio geboren is een aantal paarden te gaan bekijken en eventueel te kopen. Tegen Cardenio vertelt Fernando dat hij door er even tussenuit te zijn wat afleiding krijgt en misschien op deze manier zijn boerenmeisje zou vergeten omdat hij ook wel wist dat er geen toekomst in hun relatie zat. Cardenio, die geen idee had dat Fernando al lang en breed het bed had gedeeld met zijn geliefde vind het een prima voorstel. En ook de hertog stemt in.

Het is de opmaat naar nieuwe ontwikkelingen want zodra de twee jongemannen in de geboorteplaats van Cardenio arriveren begint Fernando meer dan gewone belangstelling voor Luscinda (de jeugdliefde en zoals gezegd aanstaande bruid van Cardenio) te vertonen. Cardenio ziet dit alles lijdzaam toe en begint met toenemende mate argwaan te koesteren aangaande de goede bedoelingen van Fernando die geen gelegenheid onbenut laat elk gesprek op Luscinda te brengen ‘al moest hij ze er bij de haren bijslepen’.

Voordat ons gegeven wordt duidelijkheid te krijgen over hoe dit verhaal verder verloopt kan Don Quichot zich helaas niet inhouden om de jongeman te onderbreken, die ongelukkig genoeg vermeld dat zijn Luscinda een groot liefhebber is van ridderromans. Natuurlijk is dat dè gelegenheid voor Don Quichot om zijn kennis op dit gebied te delen wat hij dan ook niet nalaat om uitvoerig te doen.

Of er een oorzakelijk verband is wordt niet echt duidelijk maar bij de jongeman slaan de stoppen door en wat volgt is een vechtpartij die wanneer de stofwolken zijn opgetrokken duidelijk maakt dat hij zich weer uit de voeten heeft gemaakt en opnieuw verborgen houdt in deze uithoek van de Sierra Morena. De achtergebleven dolende ridder, zijn knecht en de herder zijn dan wel enkele blauwe plekken rijker maar zeker niet veel wijzer geworden. Wie weet gaat dat in een van de volgende hoofstukken alsnog gebeuren. Of is zijn verhaal nu uit?